Dag 35 Portomarin – Santiago de Compostella 103 km.

geplaatst in: Blog | 0

vrijdag 03 juni

Santiago de Compostella

Zo opeens zat ik in Santiago de Compostella, in een hotel in het centrum. Het was geen kwade opzet, maar het liep nou eenmaal zo. Het voorlaatste stadje met duidelijke accommodatie was Arzua. Daar was ik echter al voor drie uur en tja, dat vind ik te vroeg om onderdak te zoeken. Op goed geluk fietste ik verder. Het was nog 45 km. tot Santiago en an sich vond ik dat te veel van het goede. Gelukkig was de route prachtig door een rustig en vriendelijk landschap.

Het klimwerk loog er niet om vandaag. Vanuit Portomarin was het eerst twaalf kilometer omhoog. Het eerste uur in de mist, best mooi, dat had ik tot nu toe nog niet gehad. Daarna ging het op en af. Op mijn teller stond op het eind 1811 meter en dat zijn de meeste hoogtemeters tot nu toe. Zelfs meer dan op de dag van de Pyreneeën oversteek. Kortom, om half acht zat ik redelijk uitgeput op de hotelkamer. Een goede douche doet echter wonderen (zou het dan toch?) en na een wandelingetje door een mooi, maar druk deel van Santiago relax ik nu door wat teksten voor het blog te schrijven. Er zijn veel vragen te beantwoorden en die antwoorden zet ik eerst in de steigers.

Onderweg weinig kletspraatjes (het grootste deel van de route liep niet meer evenwijdig aan de wandelcamino) maar wel met Michel en Rianne. Tijdens de klim uit Portomarin fietsten ze me voorbij, maar een eind verderop riepen ze me voor een kop koffie. Ze hadden mij herkend. In Noord-Frankrijk, in de buurt van Dun-sur-Meuse, hadden we al een keer gekletst en onze plannen gedeeld. Wel mooi om ze nu hier terug te zien. In Santiago zit hun reis er op. De fietsen gaan met een vrachtauto van een transportbedrijf retour Nederland. Zij zelf vliegen. Hun manier van reizen: elke avond boekten ze een overnachting voor de volgende dag in hotel of hostel. Mijn verhalen over de herbergen beschouwden zij als horror.

Neppelgrims?

Zelf ben ik blij dat ik me in die herbergen heb kunnen mengen onder de wandelpelgrims. Het is een wereld apart (remember ‘the spirit of the camino’), zoals uit mijn eerdere verslagen moge blijken.

Gisteravond werd er bijvoorbeeld gediscussieerd over het bagagevervoer. Is dat nog wel het echte werk of ben je dan een neppelgrim? Het is inderdaad opvallend hoeveel transportbusjes er op de route rijden, soms ook met passagiers. ’s Morgens zie je de tassen in de halletjes staan met een label met de naam van de volgende herberg. Het is natuurlijk wel gemakkelijk lopen, enkel met een klein rugzakje met wat proviand.

Toevallig zag ik vandaag ook een man en vrouw op een Cannondale e-bike voorbij komen. Is dat dan ook nep? Wat mij betreft doet en beleeft iedereen het op zijn eigen manier, het zou me wat. Als ik het maar op mijn manier kan en mag doen.

Vraag ‘Heb je een lijflied?’

Welk muzieknummer als lijflied over fietsen spreekt mij aan? De laatste die er voor in aanmerking komt is een nummer van de band die ik niet (meer) bij naam noem: ‘Bicycle Race’ van, nota bene, het album ‘Jazz’ (een gotspe, je zou er Mercury postuum de nek voor omdraaien). Dan hebben we ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’ van Boudewijn de Groot, maar, is dat wel zo’n sterk nummer? Beetje weinig diepgang ook in die tekst, vind ik. Mijn voorkeur gaat uit naar ‘Op fietse’ van de Drentse band Skik:

Refrein

wie döt mij wat, wie döt mij wat
wie döt mij wat vandage
‘k heb de banden vol met wind
nee ik heb ja niks te klagen
wie döt mij wat, wie döt mij wat
wie döt mij wat vandage
‘k zol haost zeggen, jao het mag wel zo

Skik was de band van de tegenwoordig meest solo optredende bluesartiest Daniel Lohues. Nu heb ik het niet zo begrepen op de blues, ik vind het eindeloos gepiel op een gitaar, waar dan eindeloos moeilijke gezichten bij schijnen te moeten worden getrokken.

Nee, dan de JAZZ!. Niet-liefhebbers kunnen de volgende passage overslaan.

We onderscheiden in de moderne muziek drie genres: jazz, lawaai en dreun. Er zijn er die beweren dat er nog een vierde genre is, namelijk een combinatie van twee en drie. Ik als purist houd het echter op de drie eerst genoemde. De jazz blablabla ….. en de jazz blablabla ….. en de jazz blablabla…..

Welkom terug jazzhaters, de kust is weer veilig. Waar hadden we het over? Oh ja, dat motto ‘wie döt mij wat’, dat vind ik wel mooi toepasselijk over hoe ik mijn fietstrip beleef en indeel. Het is mijn trip, ik maak mijn keuzes, ik doe iets of ik doe het niet, wie doet me wat?

Wat ook mooi is aan die tekst van Skik, is dat het beschreven fietsrondje gaat door het gebied dat ik goed ken, ik ben immers opgegroeid in Emmen, in Zuidoost Drenthe. Omdat Lohues zelf in Erica woont, is wel duidelijk waarvan hij de blues heeft gekregen.

Erica is een lelijk dorpje in de open vlakte van de voormalige veengronden, aan de weg van niks naar nergens. Voor wie het wil weten: zo tussen Nieuw Amsterdam en Klazienaveen. Het turfsteekverleden heeft de norsig uit hun ogen kijkende bewoners weinig welvaart gebracht. Ook nu nog is het armoe troef in armoedige huisjes langs de vaart. Op het modderige pad naar de voordeur staat in het beste geval een overjarig model Opel Kadett, het merendeel van de bevolking beweegt zich voort op een oude brommer. De trein neemt niet de moeite om te stoppen in Erica. De loensende uitbaatster van het plaatselijk pension ziet (sic) je liever gaan dan komen. Alleen onder bedreiging van een pistool is ze bereid je een gammel bed aan te bieden. Het ontbijt regel je maar ergens anders.

Degenen die de fietstocht naar Santiago willen ondernemen, kunnen de omweg naar Erica beter achterwege laten. Wie toch zijn geloofsbrieven aanbiedt in de nog immer druk bezochte gereformeerde kerk, artikel 13, wordt met hoongelach ontvangen. Of je nou nooit, ooit of tien keer naar Santiago op en neer fietst, het maakt geen ruk uit. Je bent immers bij geboorte al voorbestemd en uit de cynische blik van de dominee mag je concluderen dat jij aan de verkeerde kant van de streep staat.